OudIndisch
 
 

NieuwIndisch heeft zijn wortels in het verleden. Daarom ook aandacht voor Nederlands Indie.
Harry Schäfer (1911 -1980) laat ons, via zijn memoires iets van het verleden zien. Hieronder enige fragmenten.

 
   

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

Uitbarsting van de Kelud (1919)

Ik was misschien zeven of acht jaar Het was in de ochtend, vroeg, en heel donker vanwege de asregen. Het moet heel erg geweest zijn. Op de hellingen van de vulkaan waren dorpen verwoest. Er zouden veel lijken door het water van de Brantas zijn weggevoerd. Men zag ze drijven in de rivier.
Ja, de Brantas is in Kediri al heel breed. Erover liep, in mijn herinnering een heel lange brug met, op enige afstand van de brug, op gelijke afstanden van elkaar die spitse driehoekige uitsteeksels, gedeeltelijk in het water, om de kracht van het water in de Westmoeson te breken.
Door de uitbarsting was het water van het kratermeer over de hellingen naar beneden gestroomd, duizenden kubieke meters, alles meesleurend op zijn weg, een modderstroom wordend, gemengd met lava. kratermeer van de Kelud. Daarnaast waren er ook asregens, dagenlang durend.
Het was overdag behoorlijk donker. De lamp, een petroleumlamp, was aan.
Pa die verslag deed over de uitbarsting ving de as op kranten om de dikte van de asregen vast te stellen. Hij heeft in die tijd een boek geschreven over de Kelud en de uitbarsting.
Later is een tunnel gegraven door de kraterwand om het water af te laten vloeien, om herhaling van zo'n ramp te voorkomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De kampongwacht

Zoals ik al schreef, stond ons huis feitelijk in de kampong Onze overburen, de familie Brouwer en onze rechterbuurman Van Duin waren de enige Nederlanders die daar woonden, de rest was kampong. Daarom hoorden we 's nachts vaak de ronde van de kampongwacht rond gaan. "Hoorden", zeg ik, ja, inderdaad, want ze hadden een tong-tong-klek bij zich, waar ze regelmatig op sloegen.
Zo'n dessa of kampong heeft een eigen bestuur met zijn eigen wetten en regels, aangepast aan de omstandigheden. Zo hebben ze ook een waakdienst en deze zorgt voor veiligheid in de kampong. Hoe die precies functioneert weet ik niet, maar er zijn wachthuisjes, die bestaan uit een afdakje op een verhoging op vier palen en een bamboevloer. Aan het dak op een hoek hangt een grote tong-tong, een uitgeholde boomstam met een smalle opening. Als je er op slaat met een dikke stok, hoor je een bepaalde enigszins doffe verdragende klank. Ik geloof, dat er verschillende soorten ritmen bestonden, ieder met een bepaalde betekenis, zoals brand, overstroming, enz.
Twee man deden de ronde. Ze hadden ook een tong-tong bij zich, een kleine, gemaakt van een dikke soort bamboe. Bamboe bestaat uit geledingen, van elkaar gescheiden door tussenschotten. De "tong-tong-klek" bestond uit een stuk bamboe van een geleding, met nog een smal stuk bamboe aan één kant, waaraan ze het apparaat vasthielden. In dat stuk bamboe van één geleding zijn twee smalle stukken uitgesneden. Zo'n ding gaf daardoor drie verschillende tonen. Ze bespeelden hem op een bepaalde manier ritmen en tonen.
De twee kampongwachters gingen 's nacht een paar keer op stap, beginnend bij het wachthuisje waar een derde man achterbleef. Hier en daar hielden ze stil en wekten de omliggende bewoners. Die moesten kijken of er in hun huis alles veilig was. Als je hoorde, dat ze op een bepaalde manier op het instrument speelden en dat een paar maal herhaalden, dan kon je er op uitmaken, dat ze ergens stilhielden en dat er bewoners van een huis of huizen werden gewekt. Daarna gingen ze weer verder en sloegen weer het deuntje bij het lopen.
Het was een prettig en veilig gevoel, als je 's nachts wakker lag en je hoorde in de stilte dat geluid van de tong-tong-klek in de verte klinken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vliegeren

I n de vliegertijd vliegerden we in die straat waar de huizen werden gebouwd. Vliegeren in Indië is een spannend spel, want je liet ze tegen elkaar vechten.
Dik was een verwoed vliegeraar. Hij was daar zowat de kampioen.
Eerst maakte je glastouw. Dat gebeurde op de volgende manier: je stampte in een ijzeren vijzel glas fijn en zeefte dat door een doek, want hoe fijner, hoe beter. Vervolgens weekte je "kak" in een blik water en dar zette je daarna op een vuurtje, waar het verder in het water smolt. 'Kak' is beenderlijm die gebruikt wordt voor het lijmen van hout. Het stinkt erg, vandaar de naam mis-schien. Men past het tegenwoordig niet vaak meer toe. Het mocht niet te dik en niet te dun zijn. Er kwamen verschillende ingrediënten in, zoals gambir (wordt ook bij het sirihkauwen gebruikt) om het touw soepel te maken. Het touw is gewoon naaigaren, nummer 30 of 40. Verder komt er nog 'r nog in: eiwit, ook voor de soepelheid, citroensap voor de geur. En, geloof ik, alcohol; waarvoor weet ik niet. Ieder heeft zo zijn geheim recept. Het fijn gestampte glas komt er in en het geheel wordt goed gemengd.
Het garen, dat ondertussen op een klein steentje tot een bal is ge-wonden, wordt in het mengsel gedaan (van te voren is het een nacht in water geweekt om de tex-tiellijm er af te krijgen). Je leidt, al achteruitlopend het touw (het zit dus in het blikje in het mengsel) van de ene paal naar het andere, of van de ene boom naar het andere geleid Je krijgt na droging touw met een dun laagje lijm-glas mengsel er om heen. Als laatste windt je het om een wijd leeg blik en is het klaar voor gebruik. Vliegers kocht je meestal kant en klaar, maar we maakten ze ook wel zelf. Het geraamte van de vlieger is van bamboe gemaakt en bekleed met vliegerpapier; het beste pa-pier was het Chinese rijstepapier. Ook was er een dun `soort papier in verschillende kleuren. Van dit papier maakten we de meeste vliegers. Ieder had zo zijn eigen kleuren. Midden in het blik, waarop het touw gewonden was, bevestigde je een rond stuk hout, om het blik met het touw makkelijk te kunnen vasthouden en het touw werd er zo op gewonden, dat het makkelijk kon worden gevierd tijdens het vliegeren, want dit was erg belangrijk.
Je liet je vlieger op en als je in de buurt van je vlieger een andere zag, liet je de jouwe naar die andere duiken. Dat was een bepaalde handigheid. De vliegers waren dus min of meer bestuurbaar. Raakte je met je touw die van de andere, dan liet je gauw je draad vieren. De andere deed dat ook. De vliegers, door de wind meegenomen gingen al hoger en hoger, net zo lang tot het ene touw het andere had doorgesneden. "Pedot", noemden we dat, wat zowat betekent als: "losgesneden" of "gebroken". De vlieger, die het verloren had zweefde weg, met een stuk touw er nog aan en daar werd jacht op gemaakt. De overwinnaar haalde zijn vlieger wat lager in en zijn helper wond het ingehaalde touw om het blik en wachtte op een andere tegenstan-der. Het was een spannend en leuk spel.
Bij dit vechtvliegeren had Dik altijd een dik verband om zijn wijsvinger. Dit was nodig, want tijdens zo'n gevecht moest je vaak heel lang het touw vieren. Dit schuurt langs je vinger en zou diepe sneden in het vlees kunnen maken.

Behalve het vechtvliegeren kon je ook vliegeren met grote, kunstig bewerkte vliegers. Zo maakte ik vaak visvliegers; hele grote, in de vorm van een vis, met een gesplitste staart en aan die twee uit-einden van de staart twee kwasten van samenge-bonden repen gekleurd papier en links en rechts van de zijden twee grote vinnen, alles mooi be-werkt met schubben en gekleurd. Voor zo'n grote vlieger moest je natuurlijk ook dik touw hebben. Ik maakte wat we noemden een "koepoe-koeKpoean. Koepoe betekend vlinder. Het bestond uit twee vleugels die je wijd uit kon spannen. Die twee vleugels zaten in een houtje en je kon het geheel met twee ogen van ijzerdraad aan het touw van de vlieger hangen. Je spande de twee vleugels die wijd uit stonden. Door de wind voerde het apparaat mee langs het touw naar boven tot dicht bij de vlieger. Daar stootte het tegen een knoop van het touw. De vleugels sloegen dicht, zoals een vlinder z'n vleugel dicht kan slaan. Dit gebeurde doordat een ander apparaat in werking werd gebracht. De wind had dus geen vat meer op de vleugels en het ding gleed langs het touw weer naar beneden. Door het dichtslaan van de vleugels kon je iets, zoals snippers papier, die je er aan had bevestigd laten vallen, die door de wind werden meegevoerd. Het apparaat was nu weer beneden en kon je weer in werking stel-len voor een volgende glijvlucht naar boven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Meer info over vliegeren.