|
Uitbarsting van de
Kelud (1919)
Ik was misschien
zeven of acht jaar Het was in de ochtend, vroeg, en heel donker vanwege
de asregen. Het moet heel erg geweest zijn. Op de hellingen van de vulkaan
waren dorpen verwoest. Er zouden veel lijken door het water van de Brantas
zijn weggevoerd. Men zag ze drijven in de rivier.
Ja, de Brantas is in Kediri al heel breed. Erover liep, in mijn herinnering
een heel lange brug met, op enige afstand van de brug, op gelijke afstanden
van elkaar die spitse driehoekige uitsteeksels, gedeeltelijk in het water,
om de kracht van het water in de Westmoeson te breken.
Door de uitbarsting was het water van het kratermeer over de hellingen
naar beneden gestroomd, duizenden kubieke meters, alles meesleurend op
zijn weg, een modderstroom wordend, gemengd met lava. kratermeer van de
Kelud. Daarnaast waren er ook asregens, dagenlang durend.
Het was overdag behoorlijk donker. De lamp, een petroleumlamp, was aan.
Pa die verslag deed over de uitbarsting ving de as op kranten om de dikte
van de asregen vast te stellen. Hij heeft in die tijd een boek geschreven
over de Kelud en de uitbarsting.
Later is een tunnel gegraven door de kraterwand om het water af te laten
vloeien, om herhaling van zo'n ramp te voorkomen.

|
|
|
|
De kampongwacht
Zoals ik al schreef,
stond ons huis feitelijk in de kampong Onze overburen, de familie Brouwer
en onze rechterbuurman Van Duin waren de enige Nederlanders die daar woonden,
de rest was kampong. Daarom hoorden we 's nachts vaak de ronde van de
kampongwacht rond gaan. "Hoorden", zeg ik, ja, inderdaad, want ze hadden
een tong-tong-klek bij zich, waar ze regelmatig op sloegen.
Zo'n dessa of kampong heeft een eigen bestuur met zijn eigen wetten en
regels, aangepast aan de omstandigheden. Zo hebben ze ook een waakdienst
en deze zorgt voor veiligheid in de kampong. Hoe die precies functioneert
weet ik niet, maar er zijn wachthuisjes, die bestaan uit een afdakje op
een verhoging op vier palen en een bamboevloer. Aan het dak op een hoek
hangt een grote tong-tong, een uitgeholde boomstam met een smalle opening.
Als je er op slaat met een dikke stok, hoor je een bepaalde enigszins
doffe verdragende klank. Ik geloof, dat er verschillende soorten ritmen
bestonden, ieder met een bepaalde betekenis, zoals brand, overstroming,
enz.
Twee man deden de ronde. Ze hadden ook een tong-tong bij zich, een kleine,
gemaakt van een dikke soort bamboe. Bamboe bestaat uit geledingen, van
elkaar gescheiden door tussenschotten. De "tong-tong-klek" bestond uit
een stuk bamboe van een geleding, met nog een smal stuk bamboe aan één
kant, waaraan ze het apparaat vasthielden. In dat stuk bamboe van één
geleding zijn twee smalle stukken uitgesneden. Zo'n ding gaf daardoor
drie verschillende tonen. Ze bespeelden hem op een bepaalde manier ritmen
en tonen.
De twee kampongwachters gingen 's nacht een paar keer op stap, beginnend
bij het wachthuisje waar een derde man achterbleef. Hier en daar hielden
ze stil en wekten de omliggende bewoners. Die moesten kijken of er in
hun huis alles veilig was. Als je hoorde, dat ze op een bepaalde manier
op het instrument speelden en dat een paar maal herhaalden, dan kon je
er op uitmaken, dat ze ergens stilhielden en dat er bewoners van een huis
of huizen werden gewekt. Daarna gingen ze weer verder en sloegen weer
het deuntje bij het lopen.
Het was een prettig en veilig gevoel, als je 's nachts wakker lag en je
hoorde in de stilte dat geluid van de tong-tong-klek in de verte klinken.
|
|
|
|
Vliegeren
I n de vliegertijd
vliegerden we in die straat waar de huizen werden gebouwd. Vliegeren in
Indië is een spannend spel, want je liet ze tegen elkaar vechten.
Dik was een verwoed vliegeraar. Hij was daar zowat de kampioen.
Eerst maakte je glastouw. Dat gebeurde op de volgende manier: je stampte
in een ijzeren vijzel glas fijn en zeefte dat door een doek, want hoe
fijner, hoe beter. Vervolgens weekte je "kak" in een blik water en dar
zette je daarna op een vuurtje, waar het verder in het water smolt. 'Kak'
is beenderlijm die gebruikt wordt voor het lijmen van hout. Het stinkt
erg, vandaar de naam mis-schien. Men past het tegenwoordig niet vaak meer
toe. Het mocht niet te dik en niet te dun zijn. Er kwamen verschillende
ingrediënten in, zoals gambir (wordt ook bij het sirihkauwen gebruikt)
om het touw soepel te maken. Het touw is gewoon naaigaren, nummer 30 of
40. Verder komt er nog 'r nog in: eiwit, ook voor de soepelheid, citroensap
voor de geur. En, geloof ik, alcohol; waarvoor weet ik niet. Ieder heeft
zo zijn geheim recept. Het fijn gestampte glas komt er in en het geheel
wordt goed gemengd.
Het garen, dat ondertussen op een klein steentje tot een bal is ge-wonden,
wordt in het mengsel gedaan (van te voren is het een nacht in water geweekt
om de tex-tiellijm er af te krijgen). Je leidt, al achteruitlopend het
touw (het zit dus in het blikje in het mengsel) van de ene paal naar het
andere, of van de ene boom naar het andere geleid Je krijgt na droging
touw met een dun laagje lijm-glas mengsel er om heen. Als laatste windt
je het om een wijd leeg blik en is het klaar voor gebruik. Vliegers kocht
je meestal kant en klaar, maar we maakten ze ook wel zelf. Het geraamte
van de vlieger is van bamboe gemaakt en bekleed met vliegerpapier; het
beste pa-pier was het Chinese rijstepapier. Ook was er een dun `soort
papier in verschillende kleuren. Van dit papier maakten we de meeste vliegers.
Ieder had zo zijn eigen kleuren. Midden in het blik, waarop het touw gewonden
was, bevestigde je een rond stuk hout, om het blik met het touw makkelijk
te kunnen vasthouden en het touw werd er zo op gewonden, dat het makkelijk
kon worden gevierd tijdens het vliegeren, want dit was erg belangrijk.
Je liet je vlieger op en als je in de buurt van je vlieger een andere
zag, liet je de jouwe naar die andere duiken. Dat was een bepaalde handigheid.
De vliegers waren dus min of meer bestuurbaar. Raakte je met je touw die
van de andere, dan liet je gauw je draad vieren. De andere deed dat ook.
De vliegers, door de wind meegenomen gingen al hoger en hoger, net zo
lang tot het ene touw het andere had doorgesneden. "Pedot", noemden we
dat, wat zowat betekent als: "losgesneden" of "gebroken". De vlieger,
die het verloren had zweefde weg, met een stuk touw er nog aan en daar
werd jacht op gemaakt. De overwinnaar haalde zijn vlieger wat lager in
en zijn helper wond het ingehaalde touw om het blik en wachtte op een
andere tegenstan-der. Het was een spannend en leuk spel.
Bij dit vechtvliegeren had Dik altijd een dik verband om zijn wijsvinger.
Dit was nodig, want tijdens zo'n gevecht moest je vaak heel lang het touw
vieren. Dit schuurt langs je vinger en zou diepe sneden in het vlees kunnen
maken.
Behalve het vechtvliegeren kon je ook vliegeren met grote, kunstig bewerkte
vliegers. Zo maakte ik vaak visvliegers; hele grote, in de vorm van een
vis, met een gesplitste staart en aan die twee uit-einden van de staart
twee kwasten van samenge-bonden repen gekleurd papier en links en rechts
van de zijden twee grote vinnen, alles mooi be-werkt met schubben en gekleurd.
Voor zo'n grote vlieger moest je natuurlijk ook dik touw hebben. Ik maakte
wat we noemden een "koepoe-koeKpoean. Koepoe betekend vlinder. Het bestond
uit twee vleugels die je wijd uit kon spannen. Die twee vleugels zaten
in een houtje en je kon het geheel met twee ogen van ijzerdraad aan het
touw van de vlieger hangen. Je spande de twee vleugels die wijd uit stonden.
Door de wind voerde het apparaat mee langs het touw naar boven tot dicht
bij de vlieger. Daar stootte het tegen een knoop van het touw. De vleugels
sloegen dicht, zoals een vlinder z'n vleugel dicht kan slaan. Dit gebeurde
doordat een ander apparaat in werking werd gebracht. De wind had dus geen
vat meer op de vleugels en het ding gleed langs het touw weer naar beneden.
Door het dichtslaan van de vleugels kon je iets, zoals snippers papier,
die je er aan had bevestigd laten vallen, die door de wind werden meegevoerd.
Het apparaat was nu weer beneden en kon je weer in werking stel-len voor
een volgende glijvlucht naar boven.
|
|
|